Jaar 2025/1
Een jaar dat nog open ligt als een wit blad.
Woorden vinden er voorzichtig hun weg,
in stille verwachting van wat komt.
Tussen de regels
woorden zijn gevallen als bladeren
verspreid over de jaren
elke pagina een moment
een reflectie van wat ooit was
nu zoek ik de ruimte
tussen de regels
waar stilte ademt
en betekenis groeit
het boek ligt open
niet als een uitnodiging
maar als een mogelijkheid
om te voelen wat ik achterliet
elke zin draagt een stukje van mij
geen verklaring
geen richting
alleen een fluistering van wat ik was
Voorbij de grens van stilte
nog even ben ik gevangen in stilte
waar alles wacht zonder haast
woorden zweven ongrijpbaar
gedachten nog ongekend
de leegte houdt me vast
een grens die niet breekt
alsof ieder woord een geheim is
dat zichzelf nog niet wil openbaren
straks zullen ze komen
voorzichtig, bijna aarzelend
ze zullen zich vestigen op papier
en de stilte breken in zachte tonen
ik kijk naar wat zich ontvouwt
een verhaal dat eindelijk vorm krijgt
de stilte achterlatend
met woorden die hun plek vinden
zichtbaar, onomkeerbaar
in gevangen in stilte
Decemberlicht
december daalt met licht dat zachtjes stroomt
en ramen vult met warmte in het duister
de wereld houdt zijn adem in, vertraagt
een kind kijkt op naar sterren in de nacht
de geur van dennengroen doorademt ’t huis
de avond draagt de kou van oude dromen
verwachting zweeft in stilte rond
keert zich stil naar binnen
gezinnen zoeken troost in licht
bij kaarsen en woorden vol van hoop
de wind draagt oude liederen weer aan
de maan legt zilver over ieder mensengezicht
december een maand van zacht vertrouwen
en sneeuw valt neer, versiert de wereld nieuw
Onder de huid van stilte
de aarde ademt zwaar
onder een sluier van stilte en stof
haar vel gebarsten en droog
klinkt hol als oude stenen
water trekt zich terug
in diepe kieren en lege zeeën
de vissen verdwijnen in het niets
de koraalriffen verbleken
onzichtbaar voor onze blikken
bomen staan roerloos
wortels los in broze grond
vogels vliegen niet meer
hun vleugels rusten stil
de aarde zucht een verloren toon
die we bijna niet meer horen
maar ergens diep vanbinnen
klopt nog een zachte drang
een verlangen om te leven
om weer adem te vinden
en als wij luisteren
met open ogen en handen
kan zij misschien genezen
Dwaaltocht in stilte
sterren verdwalen in de nacht
zwevend door eindeloze stilte
verloren in de diepe donkere ruimte
hun licht vervaagt langzaam
een zee van zwart omringt hen zacht
zonder richting of bestemming
hun gloed wordt opgeslokt
opgenomen in de stille leegte
elke ster is een eenzame reiziger
zoekend, zonder pad of horizon
dwalend door de oneindigheid
ver van alles, ver van hier
ik kijk omhoog, verloren in gedachten
de sterren dwalen, en ik met hen mee
allemaal op zoek
naar een glimp van het onbekende
Taal van stilte
er is een stilte die tussen ons hangt
woorden lossen op voordat ze raken
ik zoek een weg om gehoord te worden
maar mijn stem verdwijnt in lege ruimte
ik tast rond in een nevel van vragen
met een hart vol hoop die nergens hecht
begrip glinstert als een verre ster
vlakbij en toch altijd buiten bereik
in elke blik voel ik een zachte afstand
alsof er iets zwijgends tussen ons leeft
een onzichtbare waarheid, onbenoembaar
een schaduw die zijn vorm niet prijsgeeft
toch hou ik vast aan het stille vertrouwen
dat we ooit een taal vinden, zonder woorden
dat de afstand zal oplossen als mist
en wij elkaar eindelijk zullen begrijpen
Kosmisch weefsel
sterren zullen de maan omringen
zwevend als onbegrensde stippen
ieder een wereld op zichzelf
los en toch verbonden in een kosmisch veld
de maan kijkt stil terug
een spiegel voor wie durft te zien
verlicht door de verre vonken
die geen begin en geen einde kennen
hier beneden reiken wij omhoog
vragen die de ruimte vullen
gedachten die hun weg zoeken
in het grenzeloze onzichtbare
misschien zijn we allemaal stof
deel van een groter verhaal
drijvend in een zee zonder wanden
waar elke ster en elk wezen een plek heeft
De omgekeerde horizon
de stenen ademden, zwaar en langzaam
zoals slapende dieren zonder lichamen
de rivier liep achteruit
terug naar een bron die nooit bestond
takken reikten niet naar de lucht
maar staken zichzelf
krassend wonden in de tijd
die blauw bloed lieten lekken
ik zag een paard zonder benen
rennen over de horizon
zijn hoeven een echo
van een hartslag die niet de mijne was
de sterren kwamen tevoorschijn overdag
maar brandden koud als ijs
ik vroeg hen niets
en toch antwoordden ze in stemmen
die overal vandaan kwamen, behalve hier
de stilte smaakte naar metaal
ik kauwde erop
en spuugde een bloem uit
die groeide in omgekeerde richting
terwijl ik verdween
Stilte waarom
soms denk ik, waarom de dag begint
en de lucht zich langzaam vult met licht
waarom stilte luid kan zijn
en een stem kan verdwijnen in de leegte
waarom de tijd zich niet laat vangen
maar altijd door mijn handen glijdt
waarom een blik zoveel kan zeggen
maar ook alles kan verhullen
waarom mensen blijven lopen
zonder te weten waarheen
waarom een hand soms reikt
en soms terugdeinst in de kou
soms denk ik, waarom ik hier ben
te midden van alles dat beweegt
waarom vragen blijven hangen
zonder ooit een antwoord te vinden
misschien is er geen waarom
misschien is het alleen de vraag
die telt
Vervoer
de trein rijdt achter een koe
de sporen, strak en onveranderlijk
volgen nu een dier
dat niets weet van lijnen of bestemmingen
de machinist leunt achterover
zijn hand glijdt van de hendel
het staal kreunt zacht
maar beweegt niet
achter hem zwijgen de wagons
vol mensen die kijken zonder te begrijpen
de koe stapt langzaam verder
haar bewegingen ongehaast
de wereld klein en precies
elk grassprietje van belang
de trein wacht
een gigant die zijn macht verloren heeft
dit is geen vertraging
geen ongeluk, geen grap
het is simpelweg hoe de wereld
even anders koos te zijn
een spoor dat buigt zonder te breken
een dier dat leidt zonder te weten
Wees niet bang
wees niet bang als ik sterf
ik heb gegeven wat ik kon
liefde, tijd, een plek in jouw wereld
alles wat ik was
draag jij nu in je mee
je zult mij vinden in het ochtendlicht
in het ruisen van bladeren
in de stilte na de regen
niet als schaduw, maar als echo
van wat we samen deelden
laat me gaan zonder verdriet
maar met de kracht van herinnering
ik ben niet weg
ik ben verweven in alles wat groeit
in alles wat jij nog zult worden
wees niet bang
mijn reis is voltooid
maar mijn liefde blijft
zonder begin, zonder einde
Op het moment
op het moment dat woorden breken
en stilte meer zegt dan een gesprek
zoeken we houvast in blikken
een taal die nergens tekens trekt
op het moment dat tijd vervaagt
en alles even stil blijft staan
ontstaan de vragen die we ontwijken
het lef om in onszelf te gaan
op het moment dat grenzen schuiven
en zekerheden ons verlaten
voelen we hoe fragiel we zijn
maar ook de kracht om te herademen
op het moment dat dromen raken
aan iets wat verder reikt dan nu
zien we het vuur, zien we het licht
en schrijven we een nieuw begin
op het moment, het is geen plek
geen grens, geen gisteren, geen straks
het leeft in ons, een open ruimte
waar alles wacht, en niets ons pakt
De Reacties Zijn Flauw
ik werp woorden de wereld in
druppels in een eindeloze oceaan
ze glinsteren even
vangen het licht dat door mijn handen stroomt
maar dan verdwijnen ze
verstikt in de adem van onverschilligheid
de reacties zijn flauw
als wind zonder richting
raak ze niet, voel ze niet
een vluchtig oordeel
uitgesproken en vergeten in één adem
“te veel,” zeggen ze
“te weinig,” zeggen ze
en ik vraag me af
hoe kun je een regenbui meten
met een lege beker
ik luister even
dan niet meer
ik schrijf
omdat het schrijven ademen is
omdat het woorden laat vloeien
door een wereld die vaak te stil is
omdat ergens
iemand
mijn zinnen zal lezen
en zichzelf erin zal vinden
ik schrijf niet voor hun stemmen
voor hun halfslachtige woorden
of hun ongemakkelijke stilte
ik schrijf voor de ruimte
waar mijn gedachten vrij zijn
waar verhalen groeien
zonder angst voor kap
de reacties blijven flauw
maar mijn woorden blijven staan
ruw, onvolmaakt
maar stevig
als een boom die tegen de wind vecht
en sterker wordt
door het geweld
Tussen Kerst en Nieuwjaar
kerst brengt een zacht licht
in het midden van de winter
de wereld vertraagt
een moment van samenzijn
waar tijd even oplost
tussen ademhalingen
de dagen glijden voort
rustig en vol verwachting
een jaar loopt ten einde
terwijl het volgende al wenkt
met ongeschreven regels
met nieuwe kansen
buiten ademt de koude lucht
binnen gloeit de warmte van hoop
kerst en nieuwjaar ontmoeten elkaar
in de overgang van het oude naar het nieuwe
een stilte gevuld met mogelijkheden
Scheef
de kerstboom staat scheef, alsof hij protesteert
tegen de chaos die zich om hem heen afspeelt
de piek hangt er moedeloos bij
terwijl een verdacht geritsel uit de richting van de kat komt
aan tafel een strijdtoneel van te weinig ruimte
en te veel meningen
het eten verschijnt in een wolk van stress
de kalkoen kijkt beschuldigend
terwijl iedereen doet alsof het normaal is dat hij op tafel ligt
bij het uitpakken van cadeaus begint de verwarring
sokken die niemand passen
en een pakketje waarvan niemand weet wie het heeft gegeven
de tafel wordt langzaam een slagveld van gescheurd papier en kruimels
dan slaat het oude jaar over in het nieuwe
een fles bubbels schiet open alsof hij het zelf ook spannend vindt
vuurwerk knalt alsof het meer oorlog is dan feest
de hond verdwijnt onder de bank
terwijl de goede voornemens al op tafel liggen te verpieteren
maar ondanks de chaos, de rommel, de vreemde tradities
ontstaat er iets wat voelt als samenzijn
of misschien is dat gewoon de wijn
Een rat is geen gebuur
in de schaduw van de nacht, zo stil
sluipt hij langs muren met vaardige wil
zijn ogen glanzen, een doordringende blik
altijd op zoek naar een stukje geluk
met een staart die kringelt, een neus die snuift
gaat hij waar het donker het licht verdrijft
maar o, zijn komst roept een huiverend uur
want een rat, mijn vriend, is geen gebuur
hij kraakt en knaagt, hij sluipt en vreet
hij zoekt de plek waar niemand het weet
een gast die komt, maar nooit meer gaat
zijn sporen achterlaat in raadselmaat
dus sluit je deuren, zet je huis goed vast
bewaar je brood in een ijzeren kast
want al lijkt hij klein, onschuldig en puur
een rat, mijn vriend, blijft geen gebuur
De rat en de buur
er woont een rat in de oude schuur
net naast het huis van mijn stille buur
hij sluipt en scharrelt door het stof
zijn kleine ogen glinsteren dof
de buur, een man van weinig praat
ziet ’s avonds hoe de rat hem gaapt
met een zaklamp in zijn trage hand
staat hij te staren naar ’t donkere land
de rat, niet bang, maar ook niet blij
keek hem aan, en piepte erbij
“beste buur, waarom toch die schrik
ik ben slechts een rat, geen duistere trik”
de buur zucht diep, zijn wenkbrauw fronst
“een rat in de buurt is niet wat ik gunst
maar jij lijkt slim, misschien wel trouw
blijf hier, maar blijf uit mijn keuken, hou trouw”
zo leefden ze samen, dag na dag
de rat in de schuur, de buur met een lach
want soms is vriendschap, hoe vreemd het ook lijkt
te vinden bij wie je niet verwacht had bereikt
De buur en de rat
in de nacht, wanneer alles stil is
loopt de buurman naar buiten
in zijn hand draagt hij een dode rat
het lichaam slap, de ogen glazig
hij kijkt om zich heen
luistert naar de stilte van de straat
dan, met een snelle beweging
werpt hij de rat over de heg
in de tuin van zijn gebuur
de volgende ochtend
ontdekt de buurman het dier
zijn gezicht vertrekt
de geur prikt in zijn neus
hij weet wie dit heeft gedaan
maar hij zegt niets
hij loopt naar binnen
pakt een schep
en begraaft de rat in zijn tuin
de stilte tussen hen wordt zwaarder
de lucht lijkt te trillen van onuitgesproken woorden
de rat is weg
maar blijft liggen
onzichtbaar tussen de twee
Gedachten rollen als
gedachten rollen als mist door een vallei
stil en ongrijpbaar
soms een schaduw
soms een beeld dat scherp wordt en weer verdwijnt
ze zwerven zonder kompas
trekken sporen in de lucht
vervlochten met tijd en gevoel
maar nergens thuis
gedachten rollen als droog blad over de grond
meegenomen door een wind
die zelf geen richting kent
ze stoppen alleen als alles stilstaat
maar zelfs dan wachten ze
op het volgende zuchtje lucht
gedachten rollen als wij
altijd onderweg
zoekend naar een plek om te rusten
om te blijven
maar nooit zeker of die plek bestaat
Is er nog hoop na de hoop
hoop, een wankele brug
gebouwd uit zand en lucht
waar stappen voorzichtig wegen
en elke trilling voelbaar is
wat blijft er achter
wanneer het zand zich losmaakt
de lucht verdwijnt in stilte
en de brug geen overkant meer kent
misschien is hoop geen haven
maar een beweging
geen bestemming
maar een adem die vraagt om doorgaan
misschien is hoop een schaduw
altijd aanwezig
zelfs wanneer het licht
niet meer lijkt te schijnen
is er nog hoop na de hoop
alleen de leegte weet het
maar soms, in de stilte
groeit een nieuwe vraag
Het Heeft Geen Zin
woorden vallen als bladeren
los van betekenis, zwaar van stilte
regels buigen zich om de leegte heen
een poging tot vorm in wat vormloos blijft
letters kruipen over het papier
hun schaduw tekent zich af op niets
geen echo, geen schreeuw, geen fluister
alleen het witte veld dat weigert te luisteren
wat is een gedicht zonder drijfveer
zonder de wil om gehoord te worden
een ademtocht die oplost in koude lucht
een spoor dat verdwijnt in natte aarde
en toch schrijf ik
niet voor zin, niet voor jou, niet voor mij
maar omdat de stilte niet altijd genoeg is
zelfs als de woorden het nooit zullen zijn
Is hoop de hoop voorbij
wanneer stilte zwaarder weegt
dan elk uitgesproken woord
wanneer stappen enkel vertragen
en de horizon vervaagt
vraag je je af
is hoop nog hier
of is ze weggeglipt
verloren in de schaduw van de tijd
misschien is hoop geen vuur
maar een vonk
die wacht op adem
geen pad dat al bestaat
maar een richting
die je zelf schept
stap voor stap
zelfs in het diepste donker
fluistert iets
iets kleins, iets broos
ga door
niet omdat je weet
maar omdat je voelt
hoop sterft niet
ze slaapt
en ontwaakt
wanneer je haar
durft te zien
Einde
het is weer zover
een verse kalender met lege bladzijden
waarin goede voornemens schuilen
zoals stof in een vergeten hoekje
de klok slaat twaalf
mensen proosten met bubbels en illusies
“dit wordt mijn jaar,” roepen ze
alsof het vorige een slechte grap was
sterretjes vonken in de nacht
maar de kou doet tenen protesteren
om nog maar te zwijgen over vuurwerk
dat meer kosten dan schoonheid produceert
en dan de resoluties
sporten, minder schermtijd, gezonder eten
tot de eerste pizza op drie januari
nieuwjaar, het theater van goede bedoelingen
maar ach
laten we het vieren zoals het komt
met vlekken op het tafelkleed
en champagne die net niet koud genoeg is
want perfectie is voor machines
en wij zijn maar mensen
met oliebollen en een beetje hoop
Wekker
de wekker schreeuwt
alsof hij op auditie is voor drama
mijn sokken zitten niet bij elkaar
maar dat doe ik ook zelden
de spiegel lacht me toe
of misschien is het medelijden
een banaan als ontbijt die eruitziet
alsof hij betere dagen heeft gekend
de fietsband zucht onder mijn gewicht
een man in een gele jas zwaait
of probeert hij een bij weg te slaan
het mysterie blijft onopgelost
net als mijn administratie
de wind fluistert iets
dat klinkt als sarcasme
op kantoor praat de printer weer in tongen
een collega vertelt over zijn weekend
alsof ik het einde echt niet mag missen
mijn koffie smaakt naar maandag
maar het is donderdag
de plant in de hoek heeft
meer overlevingsdrang dan ik
thuis wacht de kat
of eerder haar oordeel
ze velt haar vonnis
door mijn toetsenbord te kapen
ik kijk naar haar,
zij kijkt naar niets
en dat denk ik
is het geheim van geluk
Toen er toen niet meer was
het brak zonder geluid
een scheur in de lucht
waar niemand naar keek
de tijd liet los
druppelde weg
tot enkel het nu bleef liggen
kaal en onbegrensd.
geen stemmen meer
geen echo’s van vroeger
die ons vasthielden
we stonden stil
als verloren figuren
in een landschap
zonder verleden
hoe beweeg je vooruit
wanneer het verleden
niet meer spreekt
toen er toen niet meer was
bleef de leegte achter
een ruimte zonder einde
klaar om opnieuw
een naam te krijgen
Niet Weten, Het Ander Weten
niet weten
is het breken van vormen
het oplossen van lijnen
die ooit het denken omsloten
het is het drijven
van een blad op een onbekende stroom
een weg zonder begin
of verlangen naar een einde
het ander weten
is een stilte die niet vraagt
die geen richting geeft
maar zichzelf ademt
een aanwezigheid
die alle grenzen vervaagt
misschien is niet weten
het openen van een poort
die altijd al open stond
misschien is het ander weten
geen inzicht
maar een zachte omhelzing
van alles wat niet hoeft te worden begrepen
niet weten
laat de wereld opnieuw ontstaan
waar het ander weten
niet kiest
maar eenvoudigweg is
Droom vannacht wat de nieuwe dag maakt
sluit je ogen, laat de wereld oplossen in het niets
de nacht ademt zacht, alsof ze weet
dat jij haar ruimte nodig hebt om te scheppen
in het zwart ontstaat iets wat je nog niet kunt benoemen
droom van lucht die zich vult met een nieuwe geur
van een horizon die zich strekt als een uitnodiging
de dag wacht niet op je plannen
maar op je bereidheid te luisteren
laat de nacht je handen vullen met leegte
want wat komt, heeft ruimte nodig om te landen
droom vannacht geen antwoorden
maar beweging
wat de nieuwe dag maakt
begint in dat stille
onzichtbare
dat alleen jij kunt voelen
voor het licht je wekt
Hij wist
het hing als mist over zijn dagen
dat wat hij niet wou weten
geen schreeuw, geen bliksem
maar een geruisloze komst
onzichtbaar en onuitwisbaar
hij voelde het groeien
als wortels onder de grond
duister en onstuitbaar
terwijl hij zichzelf toesprak
met woorden van vergeten
het weten drukte tegen zijn ribben
zacht, bijna teder
maar met een gewicht
dat geen adem liet ontsnappen
hij wist het
zonder de woorden ervoor te vinden
zonder een einde eraan te bedenken
het was daar
zoals water zich verzamelt in de spleten
van een onbreekbare steen
en hij droeg het
niet uit keuze
maar omdat het weten
zich niet laat ontkennen
Denken doet het denken
denken doet het denken
als water dat zich niet herinnert
hoe het ooit een wolk was
en toch altijd weer opstijgt
het roert in de diepte
vormt beelden zonder lichaam
woorden zonder stem
het zoekt geen grenzen
maar raakt ze steeds opnieuw
breekt open en vloeit verder
denken raakt zichzelf aan
een hand die grijpt
maar niets kan vasthouden
een spiegel zonder reflectie
alleen het vermoeden van licht
het vraagt niet waarom
maar vult de stilte
met een echo die blijft klinken
tot ook die zichzelf vergeet
denken doet het denken
oneindig zichzelf
en toch nergens thuis
Een Wens als een Ademtocht
niet in de klank van grootse woorden
maar in de stilte die blijft hangen
wensen we een jaar dat ademt
zacht en ongedwongen
geen haast, geen grenzen
alleen dagen die zich ontvouwen
als een landschap dat zich laat zien
zonder ooit volledig te eindigen
een warmte die niet verblindt
maar rustig gloeit
een licht dat ons draagt
zelfs in het donker
we wensen niet alles
maar precies genoeg
niet het perfecte
maar het ware
zoals het leven zelf
Waar het Weten Verdwijnt
ergens aan de rand van het denken
waar het zicht wordt omhuld door grijs
gaat het weten op in wat geen naam heeft
geen begin, geen einde
de mist beweegt traag
sluit zich om alles wat vast leek
ontdoet het van grenzen
maakt het zacht, vloeibaar
onherkenbaar
het weten eens helder en scherp
is nu een schim die geen schaduw werpt
wat was blijft hangen in het vage
als een stem die nooit gehoord is
en toch alles zegt
tijd verliest hier zijn betekenis
wordt een kring in stilstaand water
vervaagt nog voor hij groter wordt
is dit een verlies
of is het een overgave
aan wat altijd al woekerde
onder de oppervlakte
de mist weet niets van richtingen
hij trekt op
niet om te onthullen
maar om te verbergen wat nooit
volledig zichtbaar had moeten zijn
er is geen angst in dit verdwalen
alleen het drijven
in een ruimte die weigert
iets vast te leggen
en toch ergens diep in het grijze
ontstaat iets nieuws
geen kennis, geen waarheid
maar een flinterdunne draad
van voelen, van zijn
het weten keert niet terug
als een rots of een muur
maar als een wolk
vormloos en vrij
misschien is dat wat blijft
wanneer het weten de mist ingaat
geen grip
geen zekerheid
maar de vleug van een mogelijkheid
een ruimte die enkel bestaat
omdat niets meer vastligt
Het Gewicht van Hoop
hoop is geen vleugel
geen vlucht die het duister doorsnijdt
het is een steen, koud en zwaar
rustend in je hand
onder het oppervlak van vergeten water
het beweegt niet
maar het wacht
in stilte
in die verstilde ruimte tussen verlangen en verlies.
het donker ademt
drukt tegen je ribben
sluit je ogen met zijn kille hand
maar ergens
onder dat dichte zwart
trilt iets
een woordloos weten
dat de steen kan worden opgeheven
dat gewicht geen eeuwigheid kent
het donker luistert
het zal niet wijken,
maar het zal ook niet winnen
hoop is niet licht
maar de kracht om te dragen
om stil te staan
tot de nacht zijn macht verliest
Het wezen van januari
januari sluimert
een wezen van koude adem
en stille ogen
zijn rug gebogen onder het gewicht
van een jaar dat nog niet ademt
de lucht draagt niets,
geen warmte, geen belofte,
slechts het gewicht van stilte
een lege, tastbare ruimte
tussen oud en nieuw
de wereld lijkt versteend
de aarde strakgespannen onder
een dunne huid van rijp
waar geen voetstap doordringt
geen geluid lang blijft hangen
maar in deze traagheid
ligt een kern van geduld
een vonk die wacht
tot hij mag vlammen
onder het ijs ligt de rivier
bewegend, onvermoeibaar
in de schaduw van wat komen zal
januari zingt niet
maar luistert.
ze wrijft het verleden glad
laat ons de lijnen lezen
van wat nog geschreven moet worden
Ochtend van het nieuwe
het nieuwe jaar verschijnt
zacht als een adem
tussen nacht en dageraad
geen fanfare
alleen de stilte
van wat nog moet beginnen
we dragen wat was
de scherven en het licht
de verhalen zonder einde
toch kijken we vooruit
naar een horizon
die zich langzaam opent
wat komt
blijft ongeschreven
elke stap een keuze
elke keuze een pad
het nieuwe jaar wacht
op onze handen
om het vorm te geven
De Koning der Drie Koningen
hij stond daar
niet hoger dan de aarde
niet groter dan de nacht
toch vulde hij de ruimte
met een aanwezigheid
die niet kon worden genegeerd
de eerste koning naderde voorzichtig
met goud dat glansde in de schemering
maar in zijn ogen lag de twijfel
of rijkdom genoeg was
om het ongrijpbare te raken
zijn handen trilden
toen hij het aanbood
de tweede koning hield wierook omhoog
de geur zwaar en doordringend
zijn adem stokte in de stilte
zijn gebed verdronk
in een antwoord dat nooit kwam
hij keek omhoog
maar de hemel bleef gesloten
de derde koning stapte naar voren
met mirre die rook naar een einde
dat iedereen ontloopt.
zijn stappen waren zwaar
zijn blik gericht op de grond
alsof hij niet durfde te zien
wat hem werd onthuld
en de koning
hij nam niets aan
hij sprak geen woord
zijn ogen diep als de tijd
keken dwars door hun geschenken heen
alsof ze stof waren
dat de wind kon meenemen
toen zij gingen
was het niet hun rijkdom
hun gebaren of hun offers
die achterbleven
het was een leegte
stil en scherp
als een schaduw die hen bleef volgen
de koning der drie koningen
had niets gevraagd
en toch hadden zij alles gegeven
Voor wie ik schrijf
schrijf ik nu voor mezelf
of draag ik mijn woorden
als offers aan de lucht
geen stem vraagt erom
toch zoek ik oren, ogen
een glimlach die niet van mij is
ik zie hoe anderen zaaien
op het veld van schermen
oogsten in de vorm van blikken
en tastbare stilte
is de betekenis wat ik voel
of wat jij erin leest
misschien schrijf ik niet
maar word ik geschreven
door een vraag
die ik niet durf te stellen
De stilte van voldoening
geen strijd om te winnen
geen kronen of trofeeën
maar een weg, stil en zacht
waar geven de enige taal is
ik zoek geen goud dat glanst
geen eer die in schaduwen verbleekt
de hand die reikt
de ogen die zien
dat is het doel
een troostende ruimte tussen zielen
wat is winst
als het niets achterlaat
een echo zonder naam
wat is verlies
als het vreugde zaait
een gave zonder prijs
geen eindpunt, geen podium
maar een adem die draagt
een waarheid zonder randen
de voldoening
niet van nemen
maar van zijn
De schaduw van stilte
in de hoek van een kamer
staat een stoel
niet bezet maar vol verhalen
die geen geluid kennen
de lucht hangt zwaar
beladen met woorden
die nooit ontsnappen
slechts rondzweven
tussen wat was en wat nooit zal zijn
een boek ligt daar
zijn rug gebogen
onder het gewicht van geheimen
bladeren fluisteren
zonder stem
roepen om een hand
die voelen wil
horen wil
wat onzichtbaar leeft
de like is een flikkering
een teken
maar geen aanraking
hoe maak je van een klik
een tastbare daad
een brug van interesse
naar eigendom
van kijken
naar vasthouden
misschien is het eenvoud
de vraag stellen
de stilte doorbreken
neem mij, lees mij
ik wacht
op jouw ogen
jouw hart
om te ontsluiten
wat in mij ligt
soms
is de schaduw van stilte
geen obstakel
maar een uitnodiging
De Stilte van de Draden
een scherm dat knippert
breekbaar in zijn fluisteren
het ademt pixels
een fragiele huid van licht
waar onze vingers verhalen vlechten
zonder geur, zonder tast
slechts echo’s van stemmen
gevangen in een glazen wand
woorden zinken diep
vervagen in de haast
van oneindige stromen
hier is niets vast
alleen de illusie
van gewicht
van bestaan
als een schaduw die zichzelf vergeet
de wereld wordt hier
een verzameling ruis
filter na filter
beeld na beeld
wie ben ik in deze spiegel
die nooit terugkijkt
die alleen maar projecteert
wat ik wilde zijn
de draden fluisteren hun verhalen
maar ze kennen geen stilte
hun ritme is de drang
van altijd meer
van nooit genoeg
en ik, een zucht in de ether
zoek naar betekenis
tussen de knopen van een web
dat ik nooit heb geweven
Het Kinderbed van Cultuur
hout dat ademt
dat kreunt in de stilte
gevormd door handen
die nooit zullen rusten
geen kind ligt erin
maar iets dat beweegt
als een droom die zich uitstrekt
als een vraag
die niet vraagt om antwoord
de spijlen buigen, breken
laten de wereld binnenstromen
laten niets gevangen
elke kier fluistert
de taal van ontwrichting
van groei die pijn doet
het bed wiegt zichzelf
onophoudelijk
als een zee die haar eigen kust hertekent
in de diepte van zijn schaduw
groeit wat nog naamloos is
cultuur slaapt nooit
het slaakt een adem
een roerloze schreeuw
die de nacht openbreekt
De stille adem van woorden
een gedicht ontwaakt
zonder ketens van klank
zonder echo van rijen
alleen stilte
en de open ruimte
waarin gedachten drijven
de waarde van poëzie
ligt die in haar muziek
of in het moment
waarin taal zichzelf vergeet
een breuklijn tussen zinnen
kan ook een wereld openen
zie hoe het woord zichzelf uitkleedt
naakt van ritme
maar niet van betekenis
het vraagt geen toestemming
geen glans of applaus
alleen de blik van iemand
die durft te luisteren
is poëzie nog poëzie
wanneer het niets wil bezingen
of wordt ze juist vrij
zoals de adem
die je niet hoort
maar voelt
De Afwezigheid van Vorm
je schrijft
maar er is geen weg
de letters buigen, vouwen zich
naar nergens
een woord
een steen in een onzichtbare rivier
water stroomt eromheen
meedogenloos, onverschillig
de regels volgen geen lijn
geen richting
geen bestemming
ze zijn er slechts
vormloos, zwevend
je schrijft
maar het papier weigert
je te begrijpen
de inkt droogt op
als een taal die niemand spreekt
misschien is de weg
niet meer dan dit
het loslaten van de vraag
of er ooit een weg was
Tussenmoment
wachten is geen stilte maar een vorm van bewegen
langzaam alsof de wereld ademt onder het oppervlak
het is de ogen sluiten en weten dat iets komt
maar niet wanneer
het is het water dat rimpelt zonder wind
de trilling in de lucht voor een storm
de schaduw van een naam die nog niet wordt geroepen
in wachten wordt de tijd tastbaar
een koude ruimte die de adem vangt
een mond vol woorden die niet worden uitgesproken
wachten is een stoel waar niemand op zit
een deur die op een kier blijft staan
het is de traagheid van licht in een lege kamer
de minuten die stollen, terwijl het hart
zijn ritme vasthoudt
het is niet stilstand
maar het geluid van iets
dat er bijna is
De Wankele Inkt
tussen het papier en de hand
zweeft een idee, fragiel als glas
het zoekt een vorm, een houvast
maar blijft zacht, zonder belofte
je schrijft,
niet om gevonden te worden
maar om iets vast te leggen
dat niet stil wil staan
een tekst kan bestaan
onuitgegeven, ongezien
zoals een boom die valt
waar niemand luistert
de woorden ademen
maar ademen alleen voor jou
de wereld verlangt bewijs
een kaft, een rug, een schreeuw
toch leg je het neer
een stem in stilte
een spoor dat wacht
op toevallige ogen
geen zekerheid, geen erkenning
alleen het drijven van de inkt
op een zee van misschien
Waar je zou zijn
de hemel ligt dicht
als een deken van as
over een wereld die fluistert
geen licht
alleen een vermoeden van kleur
achter sluimerende wolken
december ademt zwaar
haar dagen kort
haar nachten als een zee
die steeds hoger stijgt
waar ben je, decemberzon
niet als warmte
maar als teken dat er leven is
achter dit verstilde landschap
de bomen staren omhoog
hun takken zijn kreten
in een taal die niemand hoort
het water wacht
stil, verstard
op het moment dat jij
je gezicht laat zien
maar jij blijft weg
niet verborgen
maar afwezig
een leegte
een vraag zonder antwoord
misschien ben je nooit geweest
slechts een gedachte
een hoop die we vullen met dromen
toch kijken we omhoog
tegen beter weten in
op zoek naar dat wat ons draagt
zonder dat we het zien
Waar Gedachten Wentelen
je geest draait, niet als een machine
maar als een ongrijpbare stroom
een draaikolk van beelden en stemmen
die ontstaan, vervagen, en opnieuw beginnen
er is geen vast punt
slechts een dans van beweging
een wiegende kring van mogelijkheden
elke gedachte probeert zich vast te klampen
maar wordt losgerukt
meegenomen door het onafwendbare ritme
in het midden heerst geen stilte
maar een zachte, pulserende aanwezigheid
het is geen antwoord
maar een fluistering
een aandringen om verder te gaan
je bent niet de toeschouwer
je bent het draaien zelf
de kringloop die nooit eindigt
een oneindige omwenteling
waar zijn en niet-zijn elkaar spiegelen
en de vraag naar betekenis vervliegt in de lucht
De fiets is niet de trein van de auto
de fiets, een fenomeen op wielen
niet te vangen in een woord of een categorie
Geen trein, geen auto
maar iets daartussenin, of helemaal niets
haar wielen zijn rond, maar rollen eigenzinnig
haar motor sputtert met een filosofisch gebrom
ze kiest geen wegen, geen paden, geen sporen
maar volgt de wind zoals alleen zij dat kan
“ben je een voertuig?” vraagt een verbaasde voorbijganger
“dat hangt ervan af,” antwoordt de fiets
“waar wil je heen? of wil je juist blijven”
en zonder op een antwoord te wachten
rolt ze verder, zijwaarts de horizon in
ze remt niet, ze versnelt niet
ze zweeft haast, met een vrolijke traagheid
die de wereld even stil doet staan
want de fiets is geen trein, geen auto
maar misschien
gewoon een glimlach op wielen
Wat stilte draagt
je ogen zijn geen woorden
maar weerspiegelingen
van wat verborgen blijft
ze houden geheimen vast
die zelfs het licht niet kan breken
een schaduw achter iedere trilling
van je blik
ik luister naar hun zwijgen
een geluidloze storm
die alles overspoelt
ze zeggen niet alles
niet niets
maar iets dat ik niet kan vangen
een fluistering
een ruimte tussen ademhalingen
je kijkt
en ik verdrink in wat je niet vertelt
een oneindige diepte
die geen bodem kent
geen rand
alleen de vraag
of stilte ooit
zwaarder heeft gewogen
De toren en zijn schaakmaten
zwart-wit als een ademloze dageraad
strekt het bord zich uit, een veld zonder genade
de toren staat roerloos
een bastion van eenvoud
in een wereld van kronkelende mogelijkheden
de dame waaiert uit
haar stappen zonder grens
als een wind die iedere richting kent
en nergens blijft hangen
de koning, zo dichtbij en toch zo ver
draagt zijn zwijgende last
als een oude boom in stormweer
de loper snijdt vlijmscherp
een bliksemflits over diagonaal terrein
de paarden sidderen in hun sprongen
hinkend over velden
hun gang een raadsel voor wie kijkt
de toren wacht
zijn macht verborgen in geduld
zijn kracht een lijn die nooit breekt
maar ook nooit vlucht
hij droomt niet van de aanval
alleen van bescherming
een schild tegen het onvoorstelbare
en terwijl de pionnen opstaan
hun doel blind en hard
blijft de toren kijken
een monument van rechte paden
een wachtpost in een strijd
waar niemand wint
Wat Je Ziet Is Niet Wat Je Weet
een muur van glas
helder en onbeweeglijk
maar wie kijkt ziet niets
alleen de spiegeling van een ander oog
de zee draagt golven naar de kust
een onschuldige dans in het licht
maar onder het wateroppervlak
wervelt iets ouds en onverschilligs
je strekt je hand naar een schaduw
denkt haar te kennen
maar ze trekt zich terug in het donker
vormloos, zonder belofte
een woord klinkt eenvoudig
breekt door stilte met vertrouwde klank
maar het verhaal dat het draagt
is te zwaar om te horen
wat je ziet is een tekening
lijnen die je ogen leiden
wat je weet
blijft verborgen achter het papier
in een ruimte die niemand kan betreden
Het vertrek
de kamer ademt niets
haar stilte vult elke hoek
een tafel zonder sporen
een stoel die enkel kijkt
geen woorden hangen in de lucht
ze zijn al lang vervlogen
hier is geen vraag
geen antwoord, alleen een lege zin
een klok tikt
maar niet om de tijd te vertellen
de wijzers draaien als in een spel
waar geen regels bestaan
je loopt door een gang
die nergens naartoe lijkt te gaan
elke stap weerkaatst zachtjes
maar verdwijnt voordat hij gehoord wordt
Zij is de zon, de maan, en zoveel meer
in haar ogen ligt de dageraad
een licht dat mij elke ochtend vindt
zelfs als de wereld donker blijft
ze laat de hemel ontwaken in stilte
een belofte van warmte
zonder woorden, zonder eisen
ze is de zon
niet in haar felheid
maar in haar zekerheid
altijd daar, altijd stralend
zelfs achter wolken die ik niet kan zien
’s nachts is ze de maan
een zachte gloed die mij bewaakt
het licht dat mij vasthoudt
wanneer ik verloren raak in de diepte
haar aanwezigheid is een rust
waar ik altijd in kan ademen
maar zij is zoveel meer
dan hemellichamen en licht
ze is het moment waarop alles stilvalt,
waar de wereld stopt met draaien
en alleen wij bestaan
ze is de ruimte tussen mijn gedachten
het gevoel dat ik niet kan benoemen
maar altijd herken
zij is de zon, de maan
en al het ongrijpbare daartussen
ze is mijn kompas, mijn thuis
mijn eeuwige beweging
richting haar
Het Onuitgesproken Venijn
tussen fluisteringen die nooit bestaan hebben
en blikken die zich afwenden
zweeft een waarheid die niemand wil kennen
het heeft geen vorm
maar vult kamers met zijn gewicht
onzichtbaar glijdt het over tongen
versnippert het verhalen tot scherven
die glinsteren van andermans pijn
je voelt het trillen in gesprekken
een onzichtbare draad die je bindt
maar ook snijdt
het is er altijd
maar nooit helemaal van jou
elke woordkronkel
elke verzwegen komma
wordt een echo van iets
wat niemand durft uit te spreken
en toch iedereen weet
het groeit zonder wortels
leeft zonder adem
en laat je achter met lege handen
maar een hoofd dat bonst
van alles wat je nooit echt hoorde
De Sneeuwkoningin in Niemandsland
daar waar de wereld stil wordt geboren
in een rijk van eindeloos wit
heerst een koningin met vleugels van kou
haar ogen gevuld met vergetelheid
de bomen fluisteren haar naam niet meer
bevroren in een droomloze slaap
de sterren hebben hun licht verborgen
bang voor haar ijzige greep
elke vlok is haar adem
ieder windzucht haar lied
ze weeft een tapijt van stilte
waar niemand voetstappen achterlaat
lang geleden, zo wordt verteld
was zij een kind van de zon
maar het licht brak haar hart in duizend stukken
en de sneeuw nam haar in zich op
nu dwaalt zij door niemandsland
een schim in haar eigen verhaal
wie haar ontmoet, vergeet zichzelf
verandert in een fluistering van kristal
maar ergens, zo zegt men
in het diepst van de nacht
droomt zij van een lente
die haar koude handen ontdooit
een droom die als sneeuw smelt
voor het ooit dag kan worden
Kerst is niet alleen vrede
kerst is niet alleen vrede
het is het wachten op een ochtend
die traag ontwaken toelaat
het is de fluistering van hoop
die zich verbergt in donkere dagen
onzichtbaar, maar voelbaar
het is de rimpeling in het water
wanneer een steen wordt losgelaten
de cirkels die elkaar raken
en blijven bewegen
lang nadat je weg bent
kerst is niet alleen vrede
het is de schaduw naast het licht
de herinnering die schuurt
en toch warm blijft
het is de kracht om zacht te zijn
in een wereld die vaak hard is
het is geen oplossing
geen uitgestrekte stilte
maar een samensmelting van wat wringt
en wat geneest
een tafel
niet vol, maar gevuld
een handdruk
niet stevig, maar genoeg
kerst is niet alleen vrede
het is een moment van menselijkheid
een ogenblik waarin we zien
wat we anders voorbij zouden lopen
geen glans, geen perfectie
maar de eenvoud van samen
Gevangen in Stilte
de nacht buigt zwaar onder haar last
kerst is gevangen in stilte
geen lied ontsnapt de kou
geen stem breekt het glas van de lucht
de boom reikt naar het duister
zijn takken gevangen in stilte
elke naald draagt een echo
van woorden die nooit gesproken zijn
kaarsen staan onbeweeglijk
hun vlammen gevangen in stilte
hun schijnsel zwak en zonder doel
verloren in een ongenaakbare leegte
zelfs de sneeuw valt zonder geluid
geen fluistering, geen zachte omhelzing
alles is gevangen in stilte
alsof de wereld ademt, maar niet leeft
maar diep onder dit zwijgende gewicht
waar de tijd zichzelf niet kent
beweegt iets kleins, iets kwetsbaars
dat wacht om de stilte te breken
Zij is de zon, jij de maan
zij breekt de hemel open
een stralend schouwspel dat alles in zich neemt
haar aanraking wekt het slapende land
haar gloed raakt zelfs de verste horizon
maar laat niets achter voor zichzelf
ze is een kracht die blijft geven
onvermoeibaar, onstuitbaar
jij bent de tegenstem
stil, maar altijd aanwezig
je straalt zonder te eisen
een fluistering van licht dat zich nestelt
in de schaduwen van haar afwezigheid
je herstelt wat zij niet ziet
legt je zilveren mantel over wat achterblijft
jullie werelden raken elkaar nooit echt
en toch zijn ze verweven
zoals eb en vloed de kust kussen
zonder ooit stil te blijven staan
jij buigt voor haar vuur
zij verdwijnt in jouw rust
en in dat ongrijpbare moment
waar dag en nacht elkaar omarmen
bestaat geen begin
geen einde
maar alleen een eeuwige belofte
zij de zon, jij de maan
Tussen afsluiten en begin
de laatste week
ligt uitgespreid als een dunne sluier
een grens tussen wat was
en wat misschien zal zijn
de uren bewegen loom
een traag verdwalen in stilte
zoals sneeuw die valt
en oplost in de aarde
het verleden trekt zijn lijnen
door de lucht
een netwerk van schimmen
die we niet helemaal kunnen loslaten
maar er is ook licht
breekbaar, maar aanwezig
dat door de scheuren sijpelt
en vraagt om gezien te worden
geen vuurwerk, geen storm,
alleen dat onuitgesproken moment
een adem
een stil akkoord
tussen einde en begin
Voor de stilte breekt
denk
niet snel, niet gehaast
maar traag als druppels
die van een blad glijden
na een nacht van regen
zie hoe gedachten ontstaan
geen chaos, maar beweging
als rook die zich oplost
in de koude lucht van de ochtend
alles wat volgt
ligt hier al besloten
in dit breekbare ogenblik
voor de eerste stap
voel het gewicht van een keuze
die nog niet gemaakt is
een richting die wacht
stil, onaangeroerd
denk
niet om te antwoorden
maar om ruimte te geven
aan wat nog geen naam heeft
De kunst van vallen
toen het voordenken faalde
viel de toekomst uiteen in scherven
geen glans van helderheid
geen spiegeling van wat kon zijn
alleen het gewicht van nu
onversneden en zwaar
het nadenken sloop naar voren
niet als redder
maar als stille metgezel
elke gedachte gleed stroef door de vingers
als zand dat weerstand bood
wat bleef er over
zonder richting
zonder plan
een veld van lege mogelijkheden
de geur van aarde na de regen
een hand die reikt zonder te weten waarom
misschien is dat het
niet de kracht van weten
maar het vallen
het aanraken van de bodem
en het zachtjes opstaan
in een wereld die nooit vaststond
Zonder Vorm, Zonder Naam
er is een beweging die ik niet begrijp
een glijden van tijd langs de randen van nu
het is geen geluid, geen schaduw
maar iets wat tussen de dingen leeft
ik kijk naar een tafel, een raam
maar zie geen einde aan hun bestaan
de stoel zit, het licht valt
en toch gebeurt er niets
of juist alles zonder dat ik weet hoe
misschien vind ik het mooi
omdat ik niets moet vinden
het zweeft daar, betekenisloos
en toch zwaar van iets dat ik niet kan dragen
geen begin, geen einde
het beweegt niet
maar blijft altijd net voorbij mijn woorden
“Wie luistert, hoort meer dan woorden.”
Willy Troch – Poëzie